Les 3

LES 3  : TAAL : begrijpend lezen

Stap 1: leg eerst jouw materialen klaar!
– Werkschrift taal (groen), pagina 46-47
– Jouw pen en uitgomstift. Zeker geen balpen gebruiken want dat kan je niet uitgommen!
– De kleuren groen en geel (mag ook een fluostift zijn).

Stap 2: we gaan aan de slag!

WAT GAAN WE LEREN?
Vandaag gaan we werken rond het herkennen van ‘het onderwerp’ in een zin: Wie of wat doet iets? We gaan ook op zoek naar ‘het werkwoord’ dat bij ‘het onderwerp’ hoort. Dit is geen nieuwe leerstof, maar het is wel belangrijk dat we deze leerstof verder gaan verdiepen zodat jullie dit goed onder de knie krijgen.

WE LEZEN EERST DE UITLEG
Wat wordt ook alweer bedoeld met het onderwerp? En hoe herkennen we ook alweer een werkwoord in een zin?
WE GAAN AAN DE SLAG IN ONS WERKSCHRIFT
We starten op pagina 46:
– Oefening 1 (helemaal) Lees de zinnen zeer goed. Je moet van de zinnen ja/nee-vragen maken. Je ziet in het werkschrift hierrond een voorbeeld boven de oefeningen. Je zal zien dat als je een ja/nee-vraag zal gaan maken van jouw zinnen, de zinnen steeds met een werkwoord zullen starten.

– Oefening 2 (helemaal) Hier heb je de kleuren geel en groen nodig.
We starten eerst met groen. Met groen ga je in elke zin van het verhaal een werkwoord met groen gaan aanduiden. Het werkwoord vind je door net zoals bij oefening 1 een ja/nee-vraag te maken van de zin. Het eerste woord van jouw ja/nee-vraag is het werkwoord.
Bijvoorbeeld zin 1 van het verhaal: Opa en oma gaan op vakantie. –> ja/nee-vraag: Gaan opa en oma op vakantie? –> Jouw vraag start met ‘Gaan’, dit is het werkwoord, dus dit kleur je groen.

Als alle zinnen gedaan zijn gaan we het verhaal opnieuw lezen en deze keer gaan we aan de slag met geel. Met geel ga je het onderwerp van de zin gaan aanduiden. Het onderwerp kan soms uit meerdere woorden bestaan. Het onderwerp kan je vinden door uit te zoeken wie of wat iets aan het doen is in die zin. Naast wie of wat staat bijna altijd ook het werkwoord.
Bijvoorbeeld zin 1 van het verhaal: Opa en oma gaan op vakantie. –> Wie of wat gaan op vakantie? –> Opa en oma. ‘Opa en oma’ zijn dus het onderwerp. Dit kleur je dus geel.

Als je het nog moeilijk vindt kan je het volgende filmpje bekijken. Dit geeft nog eens extra uitleg over ‘het onderwerp’.
– Oefening 3 (helemaal) Vergeet de hoofdletters niet aan het begin van de zin.

We gaan verder naar pagina 47:
– Oefening 4 (helemaal) Vergeet de hoofdletters niet aan het begin van de zin.
– Oefening 5 (helemaal)
– Oefening 6 (Maken jullie niet.)

WAT ALS JE HET ECHT NIET BEGRIJPT?
Heb je problemen, ga dan naar de chat en contacteer juf Kim.

Stap 3 : ben je al klaar?
Lees eventjes in een boek.