Les 2

LES 2  : TAAL : begrijpend lezen

Stap 1: leg eerst jouw materialen klaar!
– Werkschrift taal (groen), pagina 54-55
– Jouw pen en uitgomstift. Zeker geen balpen gebruiken want dat kan je niet uitgommen!
– De kleur blauw (stift of kleurpotlood)
– Lat

Stap 2: we gaan aan de slag!

WAT GAAN WE LEREN?
Vandaag gaan we terug werken rond ‘het onderwerp en het werkwoord’. We gaan dieper in op deze leerstof. We ontdekken namelijk dat er meer dan één werkwoord in een zin kan staan. We leren ook dat één van die werkwoorden de persoonsvorm is. We gaan ook dieper in op de term ‘persoonsvorm’.

WE LEZEN EERST DE UITLEG
Lees de uitleg zeker twee keer. Lees de uitleg traag en luidop.
BEKIJK OOK DE VOLGENDE FILMPJES
Het is zeer belangrijk dat je de filmpjes allemaal bekijkt. Begrijp je het niet, dan bekijk je het filmpje nogmaals.

Bekijk het filmpje rond de werkwoorden

 

 

 

 

Bekijk het filmpje rond het onderwerp

 

 

 

 

WE GAAN AAN DE SLAG IN ONS WERKSCHRIFT
We starten op pagina 54:
Oefening 5 (helemaal) Hier heb je jouw blauw nodig en jouw lat.

Met blauw moet je het werkwoord of de werkwoorden zoeken. Met lat onderstreep je straks het onderwerp.

Belangrijk voor deze oefening: Het kan zijn dat je in een zin 2 werkwoorden zal vinden. Het eerste werkwoord, de persoonsvorm vind je door een ja/nee-vraag te maken van de zinnen. Als je de ja/nee-vraag maakt staat meestal onmiddellijk na het eerste werkwoord (=de persoonsvorm) jouw onderwerp. Verder in de zin kan je dan het tweede werkwoord vinden.

Ik zet jullie op weg met de eerste 2 zinnen:

Zin 1: Mijn broer is zwaardvechter.

STAP 1 – We zoeken het eerste werkwoord van de zin, namelijk de persoonsvorm.:
Door de ja/nee-vraag te maken vind je het eerste werkwoord/persoonsvorm.
Ja/nee-vraag: IS mijn broer zwaardvechter? ‘IS’ is de persoonsvorm/werkwoord. Dit woord mag je blauw kleuren.

STAP 2 – We kijken of er nog een tweede werkwoord in de zin is:
Is er nog een woord dat ons vertelt wat iets of iemand aan het doen is?
Er is verder geen woord meer in de zin dat vertelt wat iets of iemand aan het doen is. Er is dus maar 1 werkwoord in de zin.

STAP 3 – We zoeken het onderwerp:
Stel je hier de vraag ‘Wie of wat is iets aan het doen?’
Mijn broer is zwaarvechter. –> Wie of wat is hier iets aan het doen? –> Mijn broer.
Mijn broer is dus het onderwerp.
Als je kijkt naar de ja/nee-vraag (IS mijn broer zwaardvechter?) dan zie je dat het onderwerp onmiddellijk na het werkwoord/persoonsvorm volgt. Dit heb ik onderlijnd. Jullie mogen dat ook doen.

Uiteindelijke oplossing van zin 1 is dus: Mijn broer is zwaardvechter.

Zin 2: Mijn grootvader heeft er vroeger veel over verteld.

STAP 1 – We zoeken het eerste werkwoord van de zin, namelijk de persoonsvorm.:
Door de ja/nee-vraag te maken vind je het eerste werkwoord/persoonsvorm.
Ja/nee-vraag: Heeft mijn grootvader er vroeger veel over verteld? ‘HEEFT is de persoonsvorm/werkwoord. Dit woord mag je blauw kleuren.

STAP 2 – We kijken of er nog een tweede werkwoord in de zin is:
Is er nog een woord dat ons vertelt wat iets of iemand aan het doen is?
Er is nog een werkwoord en dat is ‘verteld‘. Dit komt van ‘vertellen’. Ook dit woord mag je blauw kleuren.

STAP 3 – We zoeken het onderwerp:
Stel je hier de vraag ‘Wie of wat is iets aan het doen?’
Mijn grootvader heeft er vroeger veel over verteld. –> Wie of wat is hier iets aan het doen? –> Mijn grootvader.
Mijn grootvader is dus het onderwerp.
Als je kijkt naar de ja/nee-vraag (Heeft mijn grootvader er vroeger veel over verteld?) dan zie je dat het onderwerp onmiddellijk na het werkwoord/persoonsvorm volgt. Dit heb ik onderlijnd. Jullie mogen dat ook doen.

Uiteindelijke oplossing van zin 2 is dus: Mijn grootvader heeft er vroeger veel over verteld.

Jullie doen nu de andere zinnen alleen. Volg hiervoor steeds bovenstaande stapjes van de juf! Enkel op die manier zal deze oefening vlot gaan!

Oefening 6 (helemaal) Deze oefening lijkt op oefening 5. Ook hier zal je het werkwoord/persoonsvorm moeten kleuren met blauw en het onderwerp onderstrepen.
Volg voor deze oefening de volgende stappen:

STAP 1 – We zoeken het eerste werkwoord van de zin, namelijk de persoonsvorm.:
Door de ja/nee-vraag te maken vind je het eerste werkwoord/persoonsvorm. Je schrijft jouw ja/nee-vraag op op het lijntje. Het eerste woord van jouw ja/nee-vraag is de persoonsvorm. Dit woord mag je blauw kleuren.

STAP 2 – We zoeken het onderwerp:
Stel je hier de vraag ‘Wie of wat is iets aan het doen?’
Als je kijkt naar de ja/nee-vraag dan zie je dat het onderwerp meestal onmiddellijk na het werkwoord/persoonsvorm volgt. Het onderwerp mag je onderlijnen in de zin.

We gaan verder naar pagina 55:
Oefening 7 (helemaal)

WAT ALS JE HET ECHT NIET BEGRIJPT?
Heb je problemen, ga dan naar de chat en contacteer juf Kim.

Stap 3 : ben je al klaar?
Lees eventjes in een boek of maak een taaltaak op kweetet.